Tussen Kloosterachtig en Midden in de Wereld: Dreher, Escrivá en de Leek na Vaticanum II
Van de Benedictus optie naar Vaticanum II.
Geschatte leestijd: 5 minuten.
Nostalgie ligt altijd op de loer in de uithoeken van onze verbeelding. Nostalgie kan ons terugbrengen bij herinneringen uit ons leven, maar soms hebben we nostalgie naar tijden die we slechts uit boeken kennen. In tijden van teleurstelling kan nostalgie in ons worden aangewakkerd, 'vroeger was alles beter'.
Wie is niet teleurgesteld in de huidige tijd? Pornografie woekert over het internet. Huwelijken en gezinnen vallen uit elkaar en er zijn overspel websites. Christenen worden ook zeker vervolgd, meestal op manieren die niet even zichtbaar zijn, met socio-culturele sluwheid, ook in christelijke landen.
Velen verlangen naar de tijd waarin de cultuur aan de christelijke kant stond, waarin religie werd gerespecteerd en het een sterke stem in de maatschappij had. Sommigen verlangen naar de jaren vijftig van de vorige eeuw. Anderen verlangen naar de vroege Kerk en Rod Dreher lijkt daar een van te zijn. Rod Dreher heeft een opmerkelijke gave om zijn intellectuele ideeën op de markt te brengen. Zijn project - "The Benedict Option" - was een hot-topic onder religieuze intellectuelen.
Dreher gelooft dat de snelle culturele instorting die alles wat ons dierbaar is, en bovenal de zielen van onze kinderen bedreigt, vereist dat we doelbewuste gemeenschappen creëren en ons op zijn minst een beetje terugtrekken uit de storm. Hetzij in de buurt van een klooster, hetzij met het model van een klooster in het achterhoofd, om onszelf te beschermen tegen de buitenwereld. Zo zal de authentieke cultuur beschermd blijven, het wordt er verdedigd en het kan groeien. En in die gemeenschappen kan men de tijd afwachten tot zij (of hun nakomelingen) de woestenij kunnen terugwinnen en de moderne barbaren bij de hand kunnen nemen.
Zijn critici verwijten hem dat hij orthodoxe gelovigen aanraad om zich grotendeels uit de maatschappij terug te trekken, inclusief de politiek. Een essay uit 2013 wijst er inderdaad op dat hij in die richting dacht. In zijn boek (The Benedict Option) heeft hij slechts twee voorbeelden van gemeenschappen die volgens deze 'optie' leven. Een is ontstaan bij een traditionalistisch Benedictijner klooster op het platteland van Oklahoma en een andere gemeenschap leeft in het uitgestrekte en landelijke Alaska.
Dreher is zijn critici (bv. Damon Linker en John Zmirak) veel dank verschuldigd voor het aanscherpen van zijn denken. De tijden veranderen en Drehers denken ook. Hij zegt nu dat ‘extreem terugtrekken’ niet is wat hij bedoelde, maar veel meer een samenkomst en wederzijdse versterking van gelijkgestemden die overal kan plaatsvinden, ook in de binnenstad.
Een nieuwe vraag.
Verwijzend naar het boek rijst de vraag op of de kloosters van de heilige Benedictus een passend model zijn voor de leken. Of er nu sprake is van je terugtrekken naar de bergen of niet, de Benedictijnse Optie houdt in dat leken op de een of andere manier een monastiek model kunnen volgen. Maar, leken hoeven niet de praktijken over te nemen van de mensen waarvan ze denken dat het geestelijke atleten zijn om hun roeping als leek uit te oefenen.
Denk hierbij aan de heilige Thomas More. Hij verlangde er naar om kartuizer te zijn geweest, die strenger zijn dan de Trappisten. Hij legde zijn familie kartuizerspraktijken op, waaronder het onderbreken van hun slaap om 1 uur 's nachts om de nachtlaudes te zingen. Zoiets is niet natuurlijk voor iemand die in de samenleving goed moet functioneren. John Zmirak heeft daarop een interessante vraag gesteld. ‘Als je een heilige als model wilt hebben voor de lekenstaat, waarom dan niet de heilige Jozefmaria?’
Door de opkomst van het monastieke leven, is de christelijke spiritualiteit gaandeweg in de gehele Kerk veranderd. Het werk van de geestelijken draagt wezenlijk bij aan het in standhouden van de katholieke cultuur en het gebed van de Kerk, maar als dit tot gevolg heeft dat de hiërarchie en de leken hun eigen positie, zowel in de wereld, als in de katholieke cultuur en het gebed van de Kerk niet langer waarderen raakt de Strijdende Kerk toch wat uit balans.
Eeuwenlang werd heiligheid gezien als een mogelijkheid die alleen voor hen was weggelegd die een gelofte hadden afgelegd of gewijd waren. Deze volmaaktheid was in de beleving van de gemiddelde katholiek geen optie voor de leken. Het geestelijke leven kwam voort uit, en richtte zich bijna uitsluitend op de monniken en priesters. Met uitzondering van de "Inleiding tot het Devote Leven" van de heilige Franciscus van Sales, zijn de meeste grote klassiekers in de spiritualiteit niet geschreven voor leken maar voor de geestelijken en gewijden.
De geestelijken en de gewijdden hielden het vuur brandend. Maar vuur kan zichzelf verteren. Is er iets wat, naast de talloze goede zaken, toch niet voldoende was om de tijd te doorstaan en misschien zelfs verstikkend heeft gewerkt? Kan het zijn dat er onvoldoende een lekenspiritualiteit is ontwikkeld en dat de leken de ‘monastieke vorm’ uit gebrek aan beter hebben gevolgd?
Er werd zo weinig rekening gehouden met de leken door de hiërarchische Kerk dat de leken vóór het Tweede Vaticaans Concilie werden gedefinieerd door wat ze niet waren. Ze waren niet gewijd, ze deden geen geloften en ze hadden geen erkende, noch een unieke roeping. Oftewel, men ervoer geen bijzondere roeping en voelde zich van weinig nut en dat werd onderdeel van de cultuur. Als iemand zich van weinig nut voelt en weinig betekenis heeft zal hij ook weinig moeite doen.
Cultuur geeft vorm aan taal, aan concepten, aan creativiteit en vormen van ontwikkeling. Bij een te dominante monastieke of religieuze cultuur, overheerst door klerikalisme zie je dit terug. Bijvoorbeeld wanneer een devote jongeman, iemand die veel van God houdt, van anderen het advies krijgt om priester te worden, alsof er geen andere optie is voor mensen die van God houden. De waarheid is dat God persoonlijk met elke ziel onderweg is en misschien een andere weg in gedachte heeft.
Revolutionair en noodzakelijk.
De vroege Kerk zou deze opvatting niet hebben gedeeld, de heilige Jozefmaria Escrivá ook niet. Zijn visie was dat de leken tot dezelfde hoogte van geestelijke volmaaktheid, tot heiligheid, geroepen waren als hen die geloften hadden afgelegd en/of gewijd waren en dat zo'n unieke lekenroeping op gelijke voet staat met de andere roepingen.
Escrivá onderwees iets wat de vroege Kerk heel goed wist, namelijk ‘de universele roeping tot heiligheid’. Alle christenen zijn, krachtens het doopsel, geroepen om in hun dagelijkse bezigheden God in alles eer te geven, Hem te zoeken, te vinden en te beminnen. Onder zijn invloed heeft deze belangrijke leer in het Tweede Vaticaans Concilie ruimte en aandacht gekregen.
Escriva benadrukte dat leken zich niet naar kloosters hoeven te begeven om de heiligheid te bereiken en dat de plaats waar zij Christus vinden juist thuis en op het werk is. En juist daar kunnen zij anderen naar het Evangelie brengen.
Dit voorstel van de universele roeping tot heiligheid was dusdanig revolutionair dat men, toen de heilige voor het eerst naar Rome ging, zei dat hij honderd jaar te vroeg was. Het was een ongewoon geluid, men benaderde 'het gewone leven' niet als een weg naar de hemel. Escrivá verkondigde deze visie bovendien in een tijd van sociale onrust en politieke instabiliteit, een tijd van oorlog en geweld tegen de kerk, een tijd waarin priesters en nonnen bij duizenden werden opgejaagd en gedood en waarin kerken massaal werden verbrand.
Hij en een paar van zijn metgezellen woonden maandenlang in een kleine verstikkende kamer in de Hondurese ambassade in Spanje in Madrid. Ze ontsnapten aan de vervolging door via de Pyreneeën te vluchten en daarbij bijna te sterven.
Al die tijd bouwde hij samen met anderen aan, wat Dreher zou noemen, een "doelbewuste gemeenschap", die tot op de dag van vandaag nog steeds individuen en gezinnen bij elkaar brengt om te leren en in kracht te groeien, om vervolgens naar de markt, de sportvelden en universiteiten te gaan en daar anderen dichter bij het Evangelie te brengen en de heiligheid. Een van de dingen die Escrivá zei was dat Christus een paar ‘eigen mannen en vrouwen’ wilde in elke menselijke onderneming.
Deze 'optie' voor de leek, die ook in Vaticanum II aandacht krijgt, roept mannen en vrouwen op om contemplatieven te worden te midden van de wereld, om zo goed mogelijk in de aanwezigheid van God te leven gedurende de dag, vanaf het moment van opstaan tot en met het uitdoen van het licht voor het slapen. Dit wordt bereikt door gebed, studie, werk en een duidelijke ordening van dagelijkse, wekelijkse, maandelijkse en jaarlijkse praktijken van vroomheid.
Deze leken, die hun roeping tot heiligheid krachtens het doopsel met toewijding beleven, zijn allemaal volledig betrokken bij de cultuur; het bankwezen, de politiek, het onderwijs, de journalistiek, de geneeskunde en zelfs de filmindustrie. Ze putten kracht uit elkaar en delen in de cultuur waar ze in leven het voorbeeld van het Evangelie in hun eigen leven mee.
Of Dreher aanvankelijk een culturele en politieke terugtrekking bedoelde of niet, deze gedachte is in veel katholieke fantasieën springlevend en juist dat moet fel worden tegengegaan. Voor de leek bestaat een eigen model, daarvoor hoeft men zich niet bij het Opus Dei aan te sluiten, maar men kan er zeker inspiratie uit halen en geestelijk voeding van ontvangen. Ook Vaticanum II laat de Kerk twee documenten na (Christi Fidelis Laici en Lumen Gentium) die de roeping van de leek bespreken vanuit een positieve definitie.
Dit was een bewerking en vertaling van:
Het origineel is geschreven door: Austin Ruse



Reacties
Een reactie posten